Opent in een nieuw tabblad
50 v.Chr.

Jagers en boeren

(Prehistorie - 50 voor Christus)

Dit tijdvak, ook wel bekend als de prehistorie, gaat over de vroegste geschiedenis van de mens. De rondreizende groepjes mensen verzamelden hun eten of jaagden op dieren. Langzaam ontwikkelden deze jagers en verzamelaars zich tot boeren, die hun boerderij en akkers na een bepaalde periode steeds weer verhuisden. Uiteindelijk bleven deze boeren steeds vaker op een vaste plaats wonen. De enige informatie over deze periode komt van archeologische vondsten.

Hierdoor weten we dat de omgeving van Bergen op Zoom aan de oostzijde bestond uit zandgronden en  aan de westzijde uit moeras. Jagers en vissers kwamen en gingen voorbij. Pas in de IJzertijd (rond 800 voor Christus) kwamen er een klein aantal boeren. De meeste grond was veel te nat voor de boeren. Bij archeologische opgravingen zijn bewijzen van deze ‘zwervende boeren’ gevonden, bijvoorbeeld achter de Gertrudiskerk, vlak bij Kijk in de Pot, in de Koepelstraat en vlakbij de Fianestraat.

Functie van sieraden

Sieraden zijn al heel lang veel meer dan alleen maar mooie versieringen.
Soms waren ze handig, zoals een speld om je jas mee dicht te maken.
Later droegen veel mensen sieraden met een symbool; om te laten zien wie ze waren, bij welke groep ze hoorden of ter bescherming of als symbool van geloof. Sieraden werden zelf gemaakt, geruild en/of gekocht van natuurlijke materialen.

Vroeger droegen mensen ze ook voor macht of voor rijkdom. Rijke mensen kochten toen dure spullen van goud, zilver, edelstenen en glimmende parels. Ook bewaren gezinnen soms heel oude sieraden, die ze aan elkaar doorgeven, zodat ze in de familie blijven. Tegenwoordig horen sieraden bij je kledingstijl en vertellen ze over je eigen smaak.

In Bergen op Zoom zijn helaas nog geen sieraden opgegraven uit de periode van de jagers en boeren, maar wel allerlei andere gebruiksvoorwerpen. Deze archeologische vondsten zijn te bewonderen in de ArcheoHotspot Bergen op Zoom.

Video

Ontstaan Brabantse Wal

De ijstijden hebben vooral invloed op Nederland boven de lijn Leiden- Utrecht- Nijmegen.
Deze ijstijden zorgen voor gure poolwinden die zo hard waaiden dat ze zelfs in Brabant invloed hebben op zandruggen en rivieren. Ongeveer 10.000 jaar geleden is hierdoor de Brabantse Wal ontstaan.

Door opwarming verschijnen er eerst moerassen, later vennen en heidevelden en nog wat later zijn er bossen. Dan verschijnen er mensen uit het oosten van Europa die in kleine familiegroepen jagen, vissen en eten verzamelen. In de zomer leven ze vooral in de bossen op de zandgronden en in de winter in de dalen bij de beken. Dit weten we door gevonden vuurstenen.

Ook op de Brabantse Wal vinden we beekdalen. De meest bekende zijn;
– Halsters Laag (erg nat), bij Bergen op Zoom en de Dassenberg
– De Blaffert, hier zijn de verbindingen tussen de Markiezaatspolders
– De Smalle Beek, dit is het loopje/beekje bij Wouw
– De Zoom, die vanaf de Wouwse Plantage richting Oosterschelde stroomt

In de Borgvlietse Duinen, maar ook aan de rand van het Halsters Laag en in de Meerse Duinen (Ossendrecht) hebben archeologen sporen van tijdelijke bewoning door jagers gevonden.

De Brabantse Wal is nu een onderdeel van het Unesco Global Geopark Schelde Delta.

Bron: SchoolTV

Mensen ontmoeten elkaar

De jager- en verzamelfamilies komen elkaar zo af en toe heus wel tegen. Ze wonen-leven-zwerven immers door hetzelfde gebied. Wisselen ze informatie over jacht- en verzamelgronden? Helpen ze elkaar? Leren ze van elkaar? Hoe was het contact? Hier is geen of nauwelijks bewijs van gevonden, omdat ze maar kort ergens woonden.

De eerste boeren zullen naast het boerenwerk ook dingen gemaakt hebben. Dit soort dingen worden geruild met elkaar, denk bijvoorbeeld eten of sieraden. Ze gaan steeds vaker ruilen met elkaar en er ontstaat een soort handel. Er komen ‘handelaren’ die dagelijks onderweg zijn.

Eeuwen later worden deze handelaren ‘marskramers’ genoemd. Deze marskramers dragen hun hele handel mee op hun rug. Ze gaan van boerderij naar boerderij en van dorp naar dorp. Zij ruilen dingen, zoals stoffen, garen, naalden, knopen, messen, sieraden en snuisterijen. Maar ook werden berichten en nieuws doorgegeven. Marskramers dragen hun ruilwaar mee in een houten kist, gevlochten mand of korf. Dit werd ook wel “mars” genoemd. Daar komt het spreekwoord vandaan: “Iets in zijn mars hebben”.

Er zijn geen afbeeldingen van handelaren uit de periode van de Jagers en boeren, maar wel weten we van latere perioden hoe marskramers eruit zagen.

Tekening: Der Hausierer. Hans Holbein de Jonge (ca 1538)

Foto: Mausefallen im Angebot. Foto door Hein Gorny, 1937. Bron: Bildarchiv PreuBischer Kulturbesitz